2.3 een cliënt, gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis in de

2.3 Co-morbiditeit
De verslavingsproblematiek onder de doelgroep is erg variërend. Er is binnen de
doelgroep sprake van een stoornis in alcohol-, cocaïne-, speed-, en ketamine
gebruik. Verder is er binnen de doelgroep sprake van persisterende depressieve
stoornis bij drie cliënten, (trekken van) borderline persoonlijkheidsstoornis
bij een cliënt, narcistische persoonlijkheidstrekken bij een cliënt, gespecificeerde
persoonlijkheidsstoornis in de vorm van vermijdende
persoonlijkheidsproblematiek bij twee cliënten, aandacht
deficiëntie-/hyperactiviteit stoornis van het gecombineerde type bij een cliënt
en is er bij een
cliënt sprake van een taalstoornis dat mogelijk verergerd is door langdurig
intensief middelengebruik.

Een verslaving komt tevens nooit alleen. Het samengaan van twee of
meerdere stoornissen noemen we co-morbiditeit. Door middelengebruik kan een
psychische aandoening ontstaan in de loop der tijd. Ook andersom is het
mogelijk dat mensen die een psychische aandoening hebben vaak verslavende
middelen gebruiken. Hierdoor proberen zij dan de gevolgen van de psychische
aandoening te onderdrukken (Kenniscentrum kinder- en
jeugdpsychiatrie, z.d.). Problematisch middelengebruik kan o.a.
samengaan met internaliserende stoornissen zoals depressie en angst en
externaliserende stoornissen zoals ADHD, Oppositional Defiant Disorder (ODD)/
Conduct Disorder (OD) (Kenniscentrum kinder- en
jeugdpsychiatrie, z.d.). Zo hebben bijvoorbeeld verslaving en
depressie een wederkerige verhouding. Angst of somberheid dragen bij aan het
ontstaan en de toename van zucht (de drang om te willen gebruiken), waardoor de
kans op middelengebruik toeneemt (GGZ Momentum, 1998). Cliënten binnen Momentum
met een verslavingsproblematiek geven aan dat het ervaren van negatieve
gevoelens een belangrijke factor is voor een terugval. De functie van excessief
middelengebruik is voor cliënten dan voornamelijk om negatieve emoties en spanning
te reguleren. De ervaren negatieve emoties worden door deze (ongezonde) coping
strategie steeds meer geassocieerd aan het verlangen naar middelengebruik dat
tenslotte leidt tot zucht (craving) (Sinha, 2014). Dit wordt ook wel
symptoombestrijding genoemd. Deze symptoombestrijding wordt verklaard vanuit de
zelfmedicatie hypothese van Khantzian (2015). Hierin stelt hij
dat middelengebruik niet zo zeer is voor het stimuleren van plezier of
beloning, maar een beweegreden is om stemmingen en pijnlijke gevoelens tegen te
gaan. Deze verklaringen laten de onderlinge samenhang zien tussen negatieve
gevoelens zoals stress, angst en depressie en het ontwikkelen van zucht en
terugval in middelengebruik. Depressie en angst blijkt een voorspeller van
terugval in middelengebruik (GGZ Momentum, 1998)

We Will Write a Custom Essay Specifically
For You For Only $13.90/page!


order now

2.4 Coping
strategieën
Wat de doelgroep vooral kenmerkt, zoals in paragraaf (2.2 Co-morbiditeit) is
beschreven, is de manier hoe zij hun coping strategieën inzetten. Coping
strategieën zijn bewuste handelingen die men inzet om cognities, emoties en
gedragingen te reguleren om met deze (stressvolle)belastende omstandigheden om
te gaan. Deze coping strategieën zijn geclassificeerd in twee algemene coping
responsen, namelijk;

•        
Emotiegerichte coping is gericht op het af
laten nemen van de negatieve ervaren emoties. Dit kan door bijvoorbeeld
middelen te gaan gebruiken om de gevoelens te dempen of te verdoven. Dit wordt
ook wel een “quick fix” genoemd. Op de korte termijn zal het helpen om je beter
te laten voelen, maar op de lange termijn zal het weinig opleveren (behalve
schade). Dit zijn dan ook negatieve en ongezonde manieren om met problemen om
te gaan.

•        
Probleemgerichte coping is het proberen op te
lossen van het probleem en op zoek te gaan naar mogelijke oorzaken van het
probleem (Jaspers, Asma, & Bosch, 1989).

Emotiegerichte coping is wat de desbetreffende doelgroep
voornamelijk toepaste in hun actieve gebruik waarbij zij opzoek waren naar een
‘quick fix’ om hun emoties en gevoelens te dempen en/of te verdoven. Het
aangaan van stressvolle en belastende situaties wordt vooral vermeden. Tijdens
de vierdaagse deeltijdbehandeling merk ik op dat deze vermijdende trekken nog steeds
aanwezig zijn en cliënten vooral nog sober drunk/ dry drunk gedrag laten zien.
Dit betekent dat zij abstinent zijn van middelen, maar hun coping strategie nog
steeds op de verkeerde manier inzetten om met lastige situaties om te gaan.

2.5 Emotie regulatie
Aansluitend op de coping strategieën kan er geconcludeerd worden dat de
doelgroep niet goed om weet te gaan met hun emoties. Emotie regulatie is het
adequaat omgaan met eigen emoties en het kunnen uiten hiervan. GGZ Momentum is
van mening dat middelengebruik of eetproblemen een onbewuste strategie, een
emotieregulatie strategie is, die in het leven is ontwikkeld om om te gaan met
situaties die als structureel belastend of moeilijk worden ervaren. Handelingen
(gebruik middelen, gokken, eetgedrag, seksgedrag) zijn dan soms een oplossing
om de gevoelde onrust draaglijk te maken. Dat geeft op korte termijn opluchting
en tijdelijke verlichting. De handelingen hebben echter disfunctionele
effecten. Op het moment dat een klinische psychotherapeutische behandeling of
detoxificatie heeft geleid tot abstinentie, is vaak behoefte aan het opnieuw
leren ontdekken van emoties en het leren van nieuwe emotieregulatie
strategieën. Het bewust worden van hoe emoties, gedachten en onrust te
(h)erkennen en op een gezonde manier meer draaglijk te maken, is een
belangrijke stap in het doorbreken en het vrij blijven van verslavingsgedrag (GGZ Momentum,
z.d.).